ijsdansen
werkwoordBetekenis
- een discipline van het kunstschaatsen
Vervoeging van ijsdansen
ijsdansenhele werkwoord — ijsdansteverleden tijd enkelvoud — ijsdanstenverleden tijd meervoud — geijsdanstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ijsdans | ijsdanste |
| jij | ijsdanst | ijsdanste |
| hij, zij, het | ijsdanst | ijsdanste |
| wij | ijsdansen | ijsdansten |
| jullie | ijsdansen | ijsdansten |
| zij | ijsdansen | ijsdansten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geijsdanst | verleden tijd, deelwoord |
| geijsdanst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geijsdanst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geijsdanst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geijsdanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geijsdanst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geijsdanst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geijsdanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geijsdanst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geijsdanst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geijsdanst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geijsdanst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geijsdanst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geijsdanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geijsdanst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geijsdanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geijsdanst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geijsdanst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ijsdans | gebiedende wijs |
| ijsdanse | aanvoegende wijs |
| ijsdansend | onvoltooid, deelwoord |
| ijsdanste | verleden tijd |
| te hebben geijsdanst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ijsdansen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ijsdansen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geijsdanst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geijsdanst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geijsdanst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geijsdanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geijsdanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geijsdanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geijsdanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geijsdanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geijsdanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geijsdanst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geijsdanst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geijsdanst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geijsdanst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ijsdansen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geijsdanst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ijsdansen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van ijs en dansen
Woordfamilie van ijsdansen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geijsdanst | voltooid deelwoord | ijsdansen |
| ijsdans | gebiedende wijs | ijsdansen |
| ijsdansend | onvoltooid deelwoord | ijsdansen |
| ijsdansende | woordvorm | ijsdansen |
| ijsdanst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ijsdansen |
| ijsdanste | verleden tijd | ijsdansen |
| ijsdansten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ijsdansen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ijsdansen zijn vastgelegd.