| ev. |
gebiedende wijs
|
| geïaad |
verleden tijd, deelwoord
|
| geïaad te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geïaad zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had geïaad |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had geïaad |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had geïaad |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden geïaad |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden geïaad |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden geïaad |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt geïaad |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb geïaad |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geïaad |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben geïaad |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geïaad |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben geïaad |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt geïaad |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geïaad |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geïaad |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| ia |
gebiedende wijs
|
| iade |
verleden tijd
|
| iaë |
aanvoegende wijs
|
| iaënd |
onvoltooid, deelwoord
|
| te hebben geïaad |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te iaën |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen iaën |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zal geïaad hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geïaad hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal geïaad hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zou geïaad hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geïaad hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geïaad hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden geïaad hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geïaad hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geïaad hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt geïaad hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen geïaad hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geïaad hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geïaad hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen iaën |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult geïaad hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult iaën |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|