Naar de inhoud

huppelen

zich met kleine sprongetjes voortbewegen

huppelen

werkwoord ˈhʏpələ(n)

Betekenis

  1. zich met kleine sprongetjes voortbewegen
  2. zich met kleine sprongetjes ergens naartoe bewegen

Hoe spreek je huppelen uit?

/ˈhʏpələn/

Huppelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈhʏpələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
ʏ put
p pak
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van huppelen

huppelenhele werkwoord — huppeldeverleden tijd enkelvoud — huppeldenverleden tijd meervoud — gehuppeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik huppel huppelde
jij huppelt huppelde
hij, zij, het huppelt huppelde
wij huppelen huppelden
jullie huppelen huppelden
zij huppelen huppelden
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gehuppeld impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gehuppeld impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gehuppeld impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gehuppeld impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gehuppeld worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gehuppeld zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gehuppeld worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gehuppeld zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehuppeld verleden tijd, deelwoord
gehuppeld te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehuppeld zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gehuppeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
huppel gebiedende wijs
huppelde verleden tijd
huppele aanvoegende wijs
huppelend onvoltooid, deelwoord
te hebben/zijn gehuppeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te huppelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen huppelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal huppelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal huppelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal huppelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gehuppeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zou huppelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou huppelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou huppelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden huppelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden huppelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden huppelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt huppelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen huppelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen huppelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen huppelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen huppelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult huppelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘zich springend voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1477

Woordfamilie van huppelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehuppeld voltooid deelwoord huppelen
gehuppelde woordvorm huppelen
huppelde verleden tijd huppelen
huppelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon huppelen
huppele aanvoegende wijs huppelen
huppelend onvoltooid deelwoord huppelen
huppelende woordvorm huppelen
huppelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon huppelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huppelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over huppelen

Hoe spreek ik huppelen uit?
Zo spreek je huppelen uit: /ˈhʏpələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van huppelen?
Huppelen is een werkwoord. De betekenis is: zich met kleine sprongetjes voortbewegen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik huppelen?
Zo vervoeg je huppelen zo: de tegenwoordige tijd is huppel, de verleden tijd is huppelde en het voltooid deelwoord is gehuppeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord huppelen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. U 4
  3. P 3
  4. P 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

huppelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. U 2
  3. P 4
  4. P 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

huppelen in het kort

huppelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van huppelen staan er 29 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort huppelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

huppelen: zich met kleine sprongetjes voortbewegen
Deel huppelen — standaardnederlands.nl