huilen
werkwoord /ɦœy̯lə(n)/Betekenis
- traanvocht uitscheiden door verdriet (en soms ook vreugde)
- het geroep van wolven
- huilen van de wind: veel lawaai maken
Hoe spreek je huilen uit?
/hœylən/
Huilen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| œy | huis |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
werkwoord
- traanvocht uitscheiden als gevolg van een negatieve emotie zoals verdriet of pijn, of soms juist als uiting van vreugde of opluchting unergative
- veel lawaai maken impersonal
Vervoeging van huilen
huilenhele werkwoord — huildeverleden tijd enkelvoud — huildenverleden tijd meervoud — gehuildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | huil | huilde |
| jij | huilt | huilde |
| hij, zij, het | huilt | huilde |
| wij | huilen | huilden |
| jullie | huilen | huilden |
| zij | huilen | huilden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehuild | verleden tijd, deelwoord |
| gehuild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehuild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehuild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehuild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehuild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehuild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| huil | gebiedende wijs |
| huilde | verleden tijd |
| huile | aanvoegende wijs |
| huilend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehuild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te huilen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen huilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal huilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal huilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal huilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou huilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou huilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou huilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden huilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden huilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden huilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehuild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt huilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen huilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen huilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen huilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen huilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehuild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult huilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘schreien, janken’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van huilen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehuild | voltooid deelwoord | huilen |
| huilde | verleden tijd | huilen |
| huilden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | huilen |
| huile | aanvoegende wijs | huilen |
| huilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | huilen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huilen zijn vastgelegd.