houvast
zelfstandig naamwoord ˈhɑuvɑstBetekenis
- voorwerp waaraan men zichzelf of een zaak vast kan houden
- zware kram met een wigvormige punt aan beide uiteinden, waarmee constructiedelen worden vastgezet
Hoe spreek je houvast uit?
/ˈhɑuvɑst/
Houvast bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- iets wat zekerheid geeft figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| houvasten | meervoud |
| houvastje | verkleinwoord, enkelvoud |
| houvastjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van hou ww en vast bw
Woordfamilie van houvast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| houvasten | meervoud | houvast |
| houvastje | verkleinwoord | houvast |
| houvastjes | verkleinwoord meervoud | houvast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van houvast zijn vastgelegd.