Naar de inhoud

houthakken

het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen

houthakken

werkwoord

Betekenis

  1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen

Vervoeging van houthakken

houthakkenhele werkwoord — hakte houtverleden tijd enkelvoud — hakten houtverleden tijd meervoud — houtgehaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hak hout hakte hout
jij hakt hout hakte hout
hij, zij, het hakt hout hakte hout
wij hakken hout hakten hout
jullie hakken hout hakten hout
zij hakken hout hakten hout
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is houtgehakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was houtgehakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd houtgehakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt houtgehakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal houtgehakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal houtgehakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou houtgehakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou houtgehakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had houtgehakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had houtgehakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had houtgehakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden houtgehakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden houtgehakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden houtgehakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt houtgehakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hak hout gebiedende wijs
hakte hout verleden tijd
heb houtgehakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben houtgehakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben houtgehakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben houtgehakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben houtgehakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt houtgehakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft houtgehakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft houtgehakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hout te hakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hout te zullen hakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
hout zal hakken bijzin, toekomende tijd
hout zou hakken bijzin, voorwaardelijk
hout zouden hakken bijzin, voorwaardelijk
hout zoudt hakken bijzin, voorwaardelijk
hout zullen hakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
hout zullen hakken bijzin, toekomende tijd
hout zult hakken bijzin, toekomende tijd
houtgehakt verleden tijd, deelwoord
houtgehakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
houtgehakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
houthak bijzin, tegenwoordige tijd
houthakkend onvoltooid, deelwoord
houthakt bijzin, tegenwoordige tijd
houthakte bijzin, verleden tijd
houthakten bijzin, verleden tijd
te hebben houtgehakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen houthakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal houtgehakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal houtgehakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal houtgehakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal houthakken bijzin, toekomende tijd
zou houtgehakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou houtgehakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou houtgehakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou houthakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) houthakken hout zou(dt) hakken bijzin, voorwaardelijk
zouden houtgehakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden houtgehakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden houtgehakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden houthakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt houtgehakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt houthakken bijzin, voorwaardelijk
zullen houtgehakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen houtgehakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen houtgehakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen houthakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen houthakken bijzin, toekomende tijd
zult houtgehakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult houthakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult houthakken bijzin, toekomende tijd
zult/zal houthakken hout zult/zal hakken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van hout en hakken

Woordfamilie van houthakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hak hout gebiedende wijs houthakken
hakke hout woordvorm houthakken
hakken hout aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon houthakken
hakt hout aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon houthakken
hakte hout verleden tijd houthakken
hakten hout aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon houthakken
houtgehakt voltooid deelwoord houthakken
houthak subordinate-clause, tegenwoordige tijd houthakken
houthakke with-subordinate-clause houthakken
houthakkend onvoltooid deelwoord houthakken
houthakkende woordvorm houthakken
houthakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd houthakken
houthakte subordinate-clause, verleden tijd houthakken
houthakten subordinate-clause, verleden tijd houthakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van houthakken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over houthakken

Wat is de betekenis van houthakken?
Houthakken is een werkwoord. De betekenis is: het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen.
Hoe vervoeg ik houthakken?
Zo vervoeg je houthakken zo: het voltooid deelwoord is houtgehakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord houthakken is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. O 1
  3. U 4
  4. T 2
  5. H 4
  6. A 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

houthakken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. O 1
  3. U 2
  4. T 2
  5. H 4
  6. A 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

houthakken in het kort

houthakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van houthakken staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort houthakken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

houthakken: het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
Deel houthakken — standaardnederlands.nl