horzel
zelfstandig naamwoord ˈhɔrzəlBetekenis
- een exemplaar uit een familie van vliegen (Oestridae) waarvan de larven parasiteren op levende dieren
Hoe spreek je horzel uit?
/ˈhɔrzəl/
Horzel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| z | zon |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor een groep middelgrote tot grote, stevige, niet stekende vliegen uit de familie Oestridae en waarvan de larven parasiteren op zoogdieren (paarden, runderen, schapen).
- hoornaar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| horzels | meervoud |
| horzeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| horzeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘hoornaar; vliegsoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1180.
Woordfamilie van horzel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| horzeltje | verkleinwoord | horzel |
| horzeltjes | verkleinwoord meervoud | horzel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van horzel zijn vastgelegd.