hoereren
werkwoordBetekenis
- zich tegen betaling voor seksuele diensten aanbieden
- zich als een hoer gedragen
Vervoeging van hoereren
hoererenhele werkwoord — hoereerdeverleden tijd enkelvoud — hoereerdenverleden tijd meervoud — gehoereerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoereer | hoereerde |
| jij | hoereert | hoereerde |
| hij, zij, het | hoereert | hoereerde |
| wij | hoereren | hoereerden |
| jullie | hoereren | hoereerden |
| zij | hoereren | hoereerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehoereerd | verleden tijd, deelwoord |
| gehoereerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehoereerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehoereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehoereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehoereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehoereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehoereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehoereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehoereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehoereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehoereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehoereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehoereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hoereer | gebiedende wijs |
| hoereerde | verleden tijd |
| hoerere | aanvoegende wijs |
| hoererend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehoereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hoereren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hoereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehoereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehoereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehoereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehoereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehoereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehoereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehoereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehoereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehoereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehoereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehoereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehoereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehoereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hoereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehoereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hoereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van hoer met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van hoereren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehoereerd | voltooid deelwoord | hoereren |
| hoereer | gebiedende wijs | hoereren |
| hoereerde | verleden tijd | hoereren |
| hoereerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hoereren |
| hoereert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hoereren |
| hoerere | aanvoegende wijs | hoereren |
| hoererend | onvoltooid deelwoord | hoereren |
| hoererende | woordvorm | hoereren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoereren zijn vastgelegd.