hijs
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het hijsen
- hijswerktuig.
- de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
- klap.
- zijde van een zeil waar dit gehesen wordt, voorlijk
- stokzijde van een vlag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hijsen | meervoud |
| hijsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hijsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hijsen
- gebiedende wijs van hijsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hijsen
Vervoeging van hijs
hijshele werkwoord
Woordfamilie van hijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hijsje | verkleinwoord | hijs |
| hijsjes | verkleinwoord meervoud | hijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hijs zijn vastgelegd.