hevel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /'ɦevəl/Betekenis
- gist, zuurdeeg
- een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
Hoe spreek je hevel uit?
/ˈhevəl/
Hevel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hevels | meervoud |
| heveltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heveltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hevelen
- gebiedende wijs van hevelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hevelen
Vervoeging van hevel
hevelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gebogen buis om vloeistoffen over te tappen’ voor het eerst aangetroffen in 1736
Woordfamilie van hevel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hevels | meervoud | hevel |
| heveltje | verkleinwoord | hevel |
| heveltjes | verkleinwoord meervoud | hevel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hevel zijn vastgelegd.