heulen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- (in het geheim) met de vijand samenwerken of ideologisch mee eens zijn
werkwoord
- met de vijand samenwerken of ideologisch mee eens zijn unergative
Vervoeging van heulen
heulenhele werkwoord — heuldeverleden tijd enkelvoud — heuldenverleden tijd meervoud — geheuldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heul | heulde |
| jij | heult | heulde |
| hij, zij, het | heult | heulde |
| wij | heulen | heulden |
| jullie | heulen | heulden |
| zij | heulen | heulden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geheuld | verleden tijd, deelwoord |
| geheuld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheuld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geheuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geheuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geheuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geheuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geheuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geheuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geheuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geheuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geheuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geheuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geheuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heul | gebiedende wijs |
| heulde | verleden tijd |
| heule | aanvoegende wijs |
| heulend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geheuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te heulen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen heulen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geheuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geheuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal heulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal heulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geheuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou heulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou heulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geheuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geheuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geheuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geheuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geheuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geheuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geheuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heulen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen heulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geheuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult heulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord heul
Herkomst
In de betekenis van ‘samenspannen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1590
Woordfamilie van heulen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geheuld | voltooid deelwoord | heulen |
| heulde | verleden tijd | heulen |
| heulden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | heulen |
| heule | aanvoegende wijs | heulen |
| heulend | onvoltooid deelwoord | heulen |
| heulende | woordvorm | heulen |
| heult | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | heulen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heulen zijn vastgelegd.