herverdelen
werkwoordBetekenis
- opnieuw verdelen
Vervoeging van herverdelen
herverdelenhele werkwoord — herverdeeldeverleden tijd enkelvoud — herverdeeldenverleden tijd meervoud — herverdeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herverdeel | herverdeelde |
| jij | herverdeelt | herverdeelde |
| hij, zij, het | herverdeelt | herverdeelde |
| wij | herverdelen | herverdeelden |
| jullie | herverdelen | herverdeelden |
| zij | herverdelen | herverdeelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had herverdeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herverdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herverdeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herverdeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herverdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herverdeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herverdeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herverdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herverdeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herverdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herverdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herverdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herverdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herverdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herverdeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herverdeel | gebiedende wijs |
| herverdeeld | verleden tijd, deelwoord |
| herverdeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herverdeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herverdeelde | verleden tijd |
| herverdele | aanvoegende wijs |
| herverdelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben herverdeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herverdelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herverdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal herverdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herverdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herverdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou herverdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herverdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herverdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden herverdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herverdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herverdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt herverdeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen herverdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herverdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herverdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herverdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult herverdeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herverdelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van verdelen met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van herverdelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herverdeel | gebiedende wijs | herverdelen |
| herverdeeld | voltooid deelwoord | herverdelen |
| herverdeelde | verleden tijd | herverdelen |
| herverdeelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herverdelen |
| herverdeelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | herverdelen |
| herverdele | aanvoegende wijs | herverdelen |
| herverdelend | onvoltooid deelwoord | herverdelen |
| herverdelende | woordvorm | herverdelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herverdelen zijn vastgelegd.