herstellen
werkwoordBetekenis
- terug werkend krijgen, repareren
- er terug bovenop geraken, weer beter worden
- weer invoeren
- zich ~: weer in de vorige toestand terugkeren
- zich ~: zijn zelfbeheersing terugkrijgen
- iets beroepsmatig onder draaiende productie aanmaken; vervaardigen, fabriceren, produceren, maken
- door bepaalde inspanningen tot stand brengen, terechtbrengen; creëren, maken
- tot stand gebracht, terechtgebracht worden.
- in de oorspronkelijk goede staat of toestand terugplaatsen; genezen, repareren
- in de nabijheid van de sprekende persoon plaatsen of neerzetten.
Vervoeging van herstellen
herstellenhele werkwoord — hersteldeverleden tijd enkelvoud — hersteldenverleden tijd meervoud — hersteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herstel | herstelde |
| jij | herstelt | herstelde |
| hij, zij, het | herstelt | herstelde |
| wij | herstellen | herstelden |
| jullie | herstellen | herstelden |
| zij | herstellen | herstelden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is hersteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was hersteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd hersteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt hersteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal hersteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal hersteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou hersteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou hersteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had hersteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had hersteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had hersteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden hersteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden hersteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden hersteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt hersteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hersteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herstel | gebiedende wijs |
| herstel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| herstel u/je , herstelt je | gebiedende wijs |
| hersteld | verleden tijd, deelwoord |
| hersteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| hersteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| hersteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hersteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hersteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hersteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hersteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hersteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hersteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hersteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herstelde | verleden tijd |
| herstelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| herstelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| herstelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| herstelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| herstelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| herstelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| herstelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| herstelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| herstelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| herstelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| herstelle | aanvoegende wijs |
| herstelle zich | aanvoegende wijs |
| herstellen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| herstellen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| herstellen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| herstellend | onvoltooid, deelwoord |
| herstelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| herstelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| herstelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| herstelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| herstelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| herstelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| is hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben hersteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herstellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herstellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart hersteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren hersteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren hersteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren hersteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was hersteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was hersteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was hersteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd hersteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd hersteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd hersteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden hersteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden hersteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden hersteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt hersteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word hersteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden hersteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden hersteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden hersteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt hersteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt hersteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal hersteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hersteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal hersteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal hersteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hersteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me herstellen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich herstellen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je herstellen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich hersteld hebben | verleden tijd |
| zich herstellend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt hersteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou hersteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hersteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hersteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hersteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hersteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hersteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden hersteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hersteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hersteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hersteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hersteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hersteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt hersteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hersteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herstellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen hersteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hersteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hersteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hersteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
afgeleid van stellen met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van herstellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hersteld | voltooid deelwoord | herstellen |
| herstelde | verleden tijd | herstellen |
| herstelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herstellen |
| herstelle | aanvoegende wijs | herstellen |
| herstelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | herstellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herstellen zijn vastgelegd.