Naar de inhoud

herstellen

terug werkend krijgen, repareren

herstellen

werkwoord

Betekenis

  1. terug werkend krijgen, repareren
  2. er terug bovenop geraken, weer beter worden
  3. weer invoeren
  4. zich ~: weer in de vorige toestand terugkeren
  5. zich ~: zijn zelfbeheersing terugkrijgen
  6. iets beroepsmatig onder draaiende productie aanmaken; vervaardigen, fabriceren, produceren, maken
  7. door bepaalde inspanningen tot stand brengen, terechtbrengen; creëren, maken
  8. tot stand gebracht, terechtgebracht worden.
  9. in de oorspronkelijk goede staat of toestand terugplaatsen; genezen, repareren
  10. in de nabijheid van de sprekende persoon plaatsen of neerzetten.

Vervoeging van herstellen

herstellenhele werkwoord — hersteldeverleden tijd enkelvoud — hersteldenverleden tijd meervoud — hersteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik herstel herstelde
jij herstelt herstelde
hij, zij, het herstelt herstelde
wij herstellen herstelden
jullie herstellen herstelden
zij herstellen herstelden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is hersteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was hersteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd hersteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt hersteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal hersteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal hersteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou hersteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou hersteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had hersteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had hersteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had hersteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden hersteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden hersteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden hersteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt hersteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben hersteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
herstel gebiedende wijs
herstel me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
herstel u/je , herstelt je gebiedende wijs
hersteld verleden tijd, deelwoord
hersteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hersteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hersteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
hersteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
hersteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
hersteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hersteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hersteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hersteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
hersteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
herstelde verleden tijd
herstelde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
herstelde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
herstelde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
herstelde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
herstelde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
herstelde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
herstelde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
herstelden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
herstelden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
herstelden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
herstelle aanvoegende wijs
herstelle zich aanvoegende wijs
herstellen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
herstellen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
herstellen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
herstellend onvoltooid, deelwoord
herstelt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
herstelt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
herstelt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
herstelt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
herstelt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
herstelt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
is hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben hersteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te herstellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen herstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart hersteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren hersteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren hersteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren hersteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was hersteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was hersteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was hersteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd hersteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd hersteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd hersteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden hersteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden hersteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden hersteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt hersteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word hersteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden hersteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden hersteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden hersteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt hersteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt hersteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal hersteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hersteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal hersteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal hersteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hersteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal herstellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal herstellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal herstellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me herstellen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich herstellen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je herstellen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich hersteld hebben verleden tijd
zich herstellend onvoltooid, deelwoord
zijn hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt hersteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou hersteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hersteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hersteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hersteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hersteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hersteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou herstellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou herstellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou herstellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden hersteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden hersteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden hersteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hersteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden hersteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden hersteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herstellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden herstellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden herstellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt hersteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hersteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt herstellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen hersteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen hersteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen hersteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hersteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

afgeleid van stellen met het voorvoegsel her-

Woordfamilie van herstellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hersteld voltooid deelwoord herstellen
herstelde verleden tijd herstellen
herstelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon herstellen
herstelle aanvoegende wijs herstellen
herstelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon herstellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herstellen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over herstellen

Wat betekent herstellen?
Herstellen is een werkwoord. Het woord betekent: terug werkend krijgen, repareren. Deze pagina beschrijft 10 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je herstellen?
Je vervoegt herstellen als volgt: de tegenwoordige tijd is herstel, de verleden tijd is herstelde en het voltooid deelwoord is hersteld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord herstellen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

herstellen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

herstellen in het kort

herstellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 10 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van herstellen zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort herstellen bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

herstellen: terug werkend krijgen, repareren
Deel herstellen — standaardnederlands.nl