herdoen
werkwoord /ˈɦɛrdun/Betekenis
- opnieuw doen, overdoen
Hoe spreek je herdoen uit?
/ˈhɛrdun/
Herdoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| d | dak |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van herdoen
herdoenhele werkwoord — herdeedverleden tijd enkelvoud — herdedenverleden tijd meervoud — herdaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herdoe | herdeed |
| jij | herdoet | herdeed |
| hij, zij, het | herdoet | herdeed |
| wij | herdoen | herdeden |
| jullie | herdoen | herdeden |
| zij | herdoen | herdeden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had herdaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herdaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herdaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herdaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herdaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herdaan | verleden tijd, deelwoord |
| herdaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herdaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herdeed | verleden tijd |
| herdoe | gebiedende wijs |
| herdoe | aanvoegende wijs |
| herdoend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben herdaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herdoen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal herdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou herdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden herdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt herdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen herdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult herdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van doen met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van herdoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herdaan | voltooid deelwoord | herdoen |
| herdane | woordvorm | herdoen |
| herdeden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herdoen |
| herdeed | verleden tijd | herdoen |
| herdoe | gebiedende wijs | herdoen |
| herdoend | onvoltooid deelwoord | herdoen |
| herdoende | woordvorm | herdoen |
| herdoet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | herdoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herdoen zijn vastgelegd.