heks
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɦɛks/Betekenis
- persoon, meestal een vrouw, aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
- valse tovenares in sprookjes en mythen
- onaangename, lastige vrouw
- heks
- een bovennatuurlijk vrouwelijk schepsel, dat volgens de Deense volksgeloof in verbond is met de duivel en dat mensen met behulp van hekserij schaadt
- een vrouw die boos is, grillig, eigenzinnig, sluwe of op andere wijze onuitstaanbaar is
Hoe spreek je heks uit?
/hɛks/
Heks bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord
- vrouw aan wie bepaalde bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven person
- al dan niet boosaardige tovenares in sprookjes en mythen person
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| heksen | meervoud |
| heksje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heksjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heksen
- gebiedende wijs van heksen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heksen
Vervoeging van heks
hekshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘boosaardige tovenares’ voor het eerst aangetroffen in 1562.
Woordfamilie van heks
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heksje | verkleinwoord | heks |
| heksjes | verkleinwoord meervoud | heks |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heks zijn vastgelegd.