hannesen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- klungelen, knoeien
Vervoeging van hannesen
hannesenhele werkwoord — hannesteverleden tijd enkelvoud — hannestenverleden tijd meervoud — gehannestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hannes | hanneste |
| jij | hannest | hanneste |
| hij, zij, het | hannest | hanneste |
| wij | hannesen | hannesten |
| jullie | hannesen | hannesten |
| zij | hannesen | hannesten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehannest | verleden tijd, deelwoord |
| gehannest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehannest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehannest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehannest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehannest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehannest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehannest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehannest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehannest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hannes | gebiedende wijs |
| hannese | aanvoegende wijs |
| hannesend | onvoltooid, deelwoord |
| hanneste | verleden tijd |
| heb gehannest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehannest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehannest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehannest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehannest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehannest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehannest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehannest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hannesen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehannest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hannesen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehannest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehannest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehannest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehannest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehannest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehannest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehannest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehannest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehannest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehannest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehannest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehannest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehannest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hannesen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehannest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hannesen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hannes
Herkomst
Afgeleid van het zelfstandig naamwoord hannes. In de betekenis van ‘knoeien’ voor het eerst aangetroffen in 1858
Woordfamilie van hannesen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehannest | voltooid deelwoord | hannesen |
| hannese | aanvoegende wijs | hannesen |
| hannesend | onvoltooid deelwoord | hannesen |
| hannesende | woordvorm | hannesen |
| hannest | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hannesen |
| hanneste | verleden tijd | hannesen |
| hannesten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hannesen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hannesen zijn vastgelegd.