handwerken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- bezig zijn met een handwerkje
Vervoeging van handwerken
handwerkenhele werkwoord — handwerkteverleden tijd enkelvoud — handwerktenverleden tijd meervoud — gehandwerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | handwerk | handwerkte |
| jij | handwerkt | handwerkte |
| hij, zij, het | handwerkt | handwerkte |
| wij | handwerken | handwerkten |
| jullie | handwerken | handwerkten |
| zij | handwerken | handwerkten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehandwerkt | verleden tijd, deelwoord |
| gehandwerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehandwerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehandwerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehandwerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehandwerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehandwerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehandwerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehandwerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehandwerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| handwerk | gebiedende wijs |
| handwerke | aanvoegende wijs |
| handwerkend | onvoltooid, deelwoord |
| handwerkte | verleden tijd |
| heb gehandwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehandwerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehandwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehandwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehandwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehandwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehandwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehandwerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te handwerken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehandwerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen handwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehandwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehandwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehandwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehandwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehandwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehandwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehandwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehandwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehandwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehandwerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehandwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehandwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehandwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen handwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehandwerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult handwerken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord handwerk
Herkomst
samenstelling van hand en werken ww
Woordfamilie van handwerken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehandwerkt | voltooid deelwoord | handwerken |
| handwerke | aanvoegende wijs | handwerken |
| handwerkend | onvoltooid deelwoord | handwerken |
| handwerkende | woordvorm | handwerken |
| handwerkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | handwerken |
| handwerkte | verleden tijd | handwerken |
| handwerkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | handwerken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handwerken zijn vastgelegd.