Naar de inhoud

handhaven

iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden

handhaven

werkwoord

Betekenis

  1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
  2. krachtdadig in stand houden, naleving afdwingen
  3. zich een positie in een groep verzekeren

Vervoeging van handhaven

handhavenhele werkwoord — handhaafdeverleden tijd enkelvoud — handhaafdenverleden tijd meervoud — gehandhaafdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik handhaaf handhaafde
jij handhaaft handhaafde
hij, zij, het handhaaft handhaafde
wij handhaven handhaafden
jullie handhaven handhaafden
zij handhaven handhaafden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gehandhaafd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gehandhaafd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gehandhaafd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gehandhaafd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gehandhaafd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gehandhaafd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gehandhaafd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gehandhaafd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehandhaafd verleden tijd, deelwoord
gehandhaafd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehandhaafd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehandhaafd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehandhaafd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehandhaafd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehandhaafd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehandhaafd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehandhaafd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehandhaafd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehandhaafd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehandhaafd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehandhaafd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehandhaafd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehandhaafd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehandhaafd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehandhaafd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehandhaafd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
handhaaf gebiedende wijs
handhaaf me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
handhaaf u/je , handhaaft je gebiedende wijs
handhaafde verleden tijd
handhaafde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
handhaafde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
handhaafde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
handhaafde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
handhaafde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
handhaafde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
handhaafde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
handhaafden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
handhaafden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
handhaafden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
handhaaft je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
handhaaft u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
handhaaft u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
handhaaft zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
handhaaft zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
handhaaft zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
handhave aanvoegende wijs
handhave zich aanvoegende wijs
handhaven je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
handhaven ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
handhaven zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
handhavend onvoltooid, deelwoord
heb gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehandhaafd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te handhaven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gehandhaafd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen handhaven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gehandhaafd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehandhaafd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gehandhaafd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehandhaafd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gehandhaafd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gehandhaafd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gehandhaafd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gehandhaafd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gehandhaafd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehandhaafd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehandhaafd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gehandhaafd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehandhaafd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal handhaven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal handhaven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal handhaven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me handhaven eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich handhaven derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je handhaven tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gehandhaafd hebben verleden tijd
zich handhavend onvoltooid, deelwoord
zijn gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gehandhaafd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gehandhaafd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehandhaafd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehandhaafd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehandhaafd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehandhaafd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehandhaafd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou handhaven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou handhaven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou handhaven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehandhaafd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehandhaafd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehandhaafd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehandhaafd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehandhaafd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehandhaafd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden handhaven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden handhaven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden handhaven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehandhaafd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehandhaafd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt handhaven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehandhaafd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehandhaafd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehandhaafd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gehandhaafd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘in stand houden’ voor het eerst aangetroffen in 1599

Woordfamilie van handhaven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehandhaafd voltooid deelwoord handhaven
gehandhaafde woordvorm handhaven
handhaaf gebiedende wijs handhaven
handhaafde verleden tijd handhaven
handhaafden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon handhaven
handhaaft aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon handhaven
handhave aanvoegende wijs handhaven
handhavend onvoltooid deelwoord handhaven
handhavende woordvorm handhaven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handhaven zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over handhaven

Wat betekent handhaven?
Handhaven is een werkwoord. Het woord betekent: iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je handhaven?
Je vervoegt handhaven als volgt: de tegenwoordige tijd is handhaaf, de verleden tijd is handhaafde en het voltooid deelwoord is gehandhaafd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord handhaven is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. H 4
  6. A 1
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

handhaven levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. H 4
  6. A 1
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

handhaven in het kort

handhaven staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van handhaven zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort handhaven bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

handhaven: iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
Deel handhaven — standaardnederlands.nl