handhaven
werkwoordBetekenis
- iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
- krachtdadig in stand houden, naleving afdwingen
- zich een positie in een groep verzekeren
Vervoeging van handhaven
handhavenhele werkwoord — handhaafdeverleden tijd enkelvoud — handhaafdenverleden tijd meervoud — gehandhaafdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | handhaaf | handhaafde |
| jij | handhaaft | handhaafde |
| hij, zij, het | handhaaft | handhaafde |
| wij | handhaven | handhaafden |
| jullie | handhaven | handhaafden |
| zij | handhaven | handhaafden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gehandhaafd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehandhaafd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehandhaafd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehandhaafd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehandhaafd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehandhaafd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehandhaafd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehandhaafd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehandhaafd | verleden tijd, deelwoord |
| gehandhaafd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehandhaafd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehandhaafd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehandhaafd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehandhaafd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehandhaafd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehandhaafd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehandhaafd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehandhaafd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehandhaafd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| handhaaf | gebiedende wijs |
| handhaaf me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| handhaaf u/je , handhaaft je | gebiedende wijs |
| handhaafde | verleden tijd |
| handhaafde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| handhaafde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| handhaafde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| handhaafde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| handhaafde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| handhaafde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| handhaafde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| handhaafden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| handhaafden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| handhaafden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| handhaaft je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| handhaaft u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| handhaaft u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| handhaaft zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| handhaaft zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| handhaaft zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| handhave | aanvoegende wijs |
| handhave zich | aanvoegende wijs |
| handhaven je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| handhaven ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| handhaven zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| handhavend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehandhaafd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te handhaven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehandhaafd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen handhaven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gehandhaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gehandhaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gehandhaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehandhaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehandhaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehandhaafd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehandhaafd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me handhaven | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich handhaven | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je handhaven | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gehandhaafd hebben | verleden tijd |
| zich handhavend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gehandhaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gehandhaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehandhaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehandhaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehandhaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehandhaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehandhaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehandhaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehandhaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehandhaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehandhaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehandhaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehandhaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehandhaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehandhaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt handhaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehandhaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehandhaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehandhaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehandhaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘in stand houden’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van handhaven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehandhaafd | voltooid deelwoord | handhaven |
| gehandhaafde | woordvorm | handhaven |
| handhaaf | gebiedende wijs | handhaven |
| handhaafde | verleden tijd | handhaven |
| handhaafden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | handhaven |
| handhaaft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | handhaven |
| handhave | aanvoegende wijs | handhaven |
| handhavend | onvoltooid deelwoord | handhaven |
| handhavende | woordvorm | handhaven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handhaven zijn vastgelegd.