halveren
werkwoordBetekenis
- tot de helft terugbrengen
Vervoeging van halveren
halverenhele werkwoord — halveerdeverleden tijd enkelvoud — halveerdenverleden tijd meervoud — gehalveerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | halveer | halveerde |
| jij | halveert | halveerde |
| hij, zij, het | halveert | halveerde |
| wij | halveren | halveerden |
| jullie | halveren | halveerden |
| zij | halveren | halveerden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gehalveerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehalveerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehalveerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehalveerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehalveerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehalveerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehalveerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehalveerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehalveerd | verleden tijd, deelwoord |
| gehalveerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehalveerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehalveerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehalveerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehalveerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehalveerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehalveerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehalveerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehalveerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehalveerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehalveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehalveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehalveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehalveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehalveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehalveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehalveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| halveer | gebiedende wijs |
| halveerde | verleden tijd |
| halvere | aanvoegende wijs |
| halverend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehalveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te halveren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehalveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen halveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gehalveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehalveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehalveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gehalveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gehalveerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehalveerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehalveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehalveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehalveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehalveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehalveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal halveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal halveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal halveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gehalveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gehalveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehalveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehalveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehalveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehalveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou halveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou halveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou halveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehalveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehalveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehalveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehalveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehalveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden halveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden halveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden halveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehalveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt halveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehalveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehalveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehalveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehalveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehalveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen halveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen halveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen halveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen halveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehalveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult halveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van half met het achtervoegsel -eren met spellingsregel 1.2.a.
Woordfamilie van halveren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehalveerd | voltooid deelwoord | halveren |
| halveer | gebiedende wijs | halveren |
| halveerde | verleden tijd | halveren |
| halveerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | halveren |
| halveert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | halveren |
| halvere | aanvoegende wijs | halveren |
| halverend | onvoltooid deelwoord | halveren |
| halverende | woordvorm | halveren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halveren zijn vastgelegd.