halftijds
bijvoeglijk naamwoord ˈhɑlᵊfˌtɛitsBetekenis
- van een baan of betrekking dat deze geen volledige werkweek omvat
- de helft van de tijd
Hoe spreek je halftijds uit?
/ˈhɑləfˌtɛits/
Halftijds bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| f | fiets |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| halftijdse | verbogen, stellende trap |
Herkomst
samenstelling van half zn en tijd zn met het achtervoegsel -s
Woordfamilie van halftijds
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| halftijdse | verbogen vorm | halftijds |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halftijds zijn vastgelegd.