halftime
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈhɑːftɑjmBetekenis
- het moment halverwege het begin en het einde
- de rust halverwege een wedstrijd
- met betrekking tot een baan dat ze deze de helft van de werkweek uitoefent
Hoe spreek je halftime uit?
/ˈhɑftɑjm/
Halftime bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| t | tak |
| j | ja |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Herkomst
uit het Engels
Woordfamilie van halftime
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| halftimes | woordvorm | halftime |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halftime zijn vastgelegd.