hakkelen
werkwoordBetekenis
- in kleine stukjes hakken, ergens kleine stukjes uithakken
- moeilijk en onzeker spreken met herhaling van klanken
Vervoeging van hakkelen
hakkelenhele werkwoord — hakkeldeverleden tijd enkelvoud — hakkeldenverleden tijd meervoud — gehakkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hakkel | hakkelde |
| jij | hakkelt | hakkelde |
| hij, zij, het | hakkelt | hakkelde |
| wij | hakkelen | hakkelden |
| jullie | hakkelen | hakkelden |
| zij | hakkelen | hakkelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehakkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gehakkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehakkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehakkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehakkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehakkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehakkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hakkel | gebiedende wijs |
| hakkelde | verleden tijd |
| hakkele | aanvoegende wijs |
| hakkelend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehakkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hakkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehakkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hakkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hakkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘stamelen’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van hakkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehakkeld | voltooid deelwoord | hakkelen |
| hakkel | gebiedende wijs | hakkelen |
| hakkelde | verleden tijd | hakkelen |
| hakkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hakkelen |
| hakkele | aanvoegende wijs | hakkelen |
| hakkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hakkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hakkelen zijn vastgelegd.