gruwen
werkwoordBetekenis
- een sterk gevoel van afkeer ervaren
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van gruwen
gruwenhele werkwoord — gruwdeverleden tijd enkelvoud — gruwdenverleden tijd meervoud — gegruwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gruw | gruwde |
| jij | gruwt | gruwde |
| hij, zij, het | gruwt | gruwde |
| wij | gruwen | gruwden |
| jullie | gruwen | gruwden |
| zij | gruwen | gruwden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegruwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegruwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegruwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegruwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegruwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegruwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegruwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegruwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegruwd | verleden tijd, deelwoord |
| gegruwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegruwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gruw | gebiedende wijs |
| gruwde | verleden tijd |
| gruwe | aanvoegende wijs |
| gruwend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegruwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegruwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegruwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegruwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegruwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegruwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegruwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegruwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegruwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegruwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegruwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegruwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegruwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegruwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegruwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gruwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegruwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gruwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegruwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegruwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegruwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegruwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegruwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegruwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegruwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegruwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegruwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegruwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegruwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegruwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegruwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gruwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegruwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gruwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘afschuw hebben van’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1420
Woordfamilie van gruwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegruwd | voltooid deelwoord | gruwen |
| gruw | gebiedende wijs | gruwen |
| gruwde | verleden tijd | gruwen |
| gruwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gruwen |
| gruwe | aanvoegende wijs | gruwen |
| gruwend | onvoltooid deelwoord | gruwen |
| gruwende | woordvorm | gruwen |
| gruwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gruwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gruwen zijn vastgelegd.