groeien
werkwoord /ˈɣrui̯ə(n)/Betekenis
- groter worden
- ontwikkelen
- doen groeien
Hoe spreek je groeien uit?
/ˈxruiən/
Groeien bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| u | boek |
| i | riet |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- groter worden; toenemen in aantal ergative
Vervoeging van groeien
groeienhele werkwoord — groeideverleden tijd enkelvoud — groeidenverleden tijd meervoud — gegroeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | groei | groeide |
| jij | groeit | groeide |
| hij, zij, het | groeit | groeide |
| wij | groeien | groeiden |
| jullie | groeien | groeiden |
| zij | groeien | groeiden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegroeid | verleden tijd, deelwoord |
| gegroeid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegroeid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| groei | gebiedende wijs |
| groeide | verleden tijd |
| groeie | aanvoegende wijs |
| groeiend | onvoltooid, deelwoord |
| is gegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te groeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gegroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen groeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal groeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal groeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal groeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou groeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou groeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou groeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden groeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden groeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden groeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt groeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen groeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen groeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen groeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen groeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult groeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘(in grootte) toenemen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van groeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| groeide | verleden tijd | groeien |
| groeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | groeien |
| groeie | aanvoegende wijs | groeien |
| groeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | groeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van groeien zijn vastgelegd.