grinniken
werkwoordBetekenis
- (niet voluit) lachen met je mond tot een grijns vertrokken
werkwoord
- lachen met je mond tot een grijns vertrokken unergative
Vervoeging van grinniken
grinnikenhele werkwoord — grinnikteverleden tijd enkelvoud — grinniktenverleden tijd meervoud — gegrinniktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grinnik | grinnikte |
| jij | grinnikt | grinnikte |
| hij, zij, het | grinnikt | grinnikte |
| wij | grinniken | grinnikten |
| jullie | grinniken | grinnikten |
| zij | grinniken | grinnikten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegrinnikt | verleden tijd, deelwoord |
| gegrinnikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegrinnikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grinnik | gebiedende wijs |
| grinnike | aanvoegende wijs |
| grinnikend | onvoltooid, deelwoord |
| grinnikte | verleden tijd |
| had gegrinnikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegrinnikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegrinnikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegrinnikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegrinnikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegrinnikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegrinnikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegrinnikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrinnikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegrinnikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrinnikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegrinnikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegrinnikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrinnikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrinnikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grinniken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegrinnikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grinniken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegrinnikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegrinnikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegrinnikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegrinnikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegrinnikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegrinnikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegrinnikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegrinnikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegrinnikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegrinnikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegrinnikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegrinnikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegrinnikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grinniken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegrinnikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grinniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘grijnzend lachen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1410
Woordfamilie van grinniken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegrinnikt | voltooid deelwoord | grinniken |
| grinnik | gebiedende wijs | grinniken |
| grinnike | aanvoegende wijs | grinniken |
| grinnikend | onvoltooid deelwoord | grinniken |
| grinnikende | woordvorm | grinniken |
| grinnikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grinniken |
| grinnikte | verleden tijd | grinniken |
| grinnikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grinniken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grinniken zijn vastgelegd.