grimlach
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- bittere, eventueel minachtende of boosaardige lach
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grimlachen | meervoud |
| grimlachje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grimlachjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grimlachen
- gebiedende wijs van grimlachen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grimlachen
Vervoeging van grimlach
grimlachhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bittere lach’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704
Woordfamilie van grimlach
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grimlachje | verkleinwoord | grimlach |
| grimlachjes | verkleinwoord meervoud | grimlach |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grimlach zijn vastgelegd.