griezel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een wezen dat angst en walging oproept
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| griezels | meervoud |
| griezeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| griezeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van griezelen
- gebiedende wijs van griezelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van griezelen
Vervoeging van griezel
griezelhele werkwoord
Woordfamilie van griezel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| griezels | meervoud | griezel |
| griezeltje | verkleinwoord | griezel |
| griezeltjes | verkleinwoord meervoud | griezel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van griezel zijn vastgelegd.