grapjas
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die probeert grappig te zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grapjasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grapjasjes | verkleinwoord, meervoud |
| grapjassen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grapjassen
- gebiedende wijs van grapjassen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grapjassen
Vervoeging van grapjas
grapjashele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘lolbroek’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van grapjas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grapjasje | verkleinwoord | grapjas |
| grapjasjes | verkleinwoord meervoud | grapjas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grapjas zijn vastgelegd.