gradueren
werkwoordBetekenis
- in graden verdelen of van een schaalverdeling voorzien
- een graad aan een hogeschool of universiteit verlenen
Vervoeging van gradueren
graduerenhele werkwoord — gradueerdeverleden tijd enkelvoud — gradueerdenverleden tijd meervoud — gegradueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gradueer | gradueerde |
| jij | gradueert | gradueerde |
| hij, zij, het | gradueert | gradueerde |
| wij | gradueren | gradueerden |
| jullie | gradueren | gradueerden |
| zij | gradueren | gradueerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegradueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegradueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegradueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegradueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegradueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegradueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegradueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegradueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegradueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gegradueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegradueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegradueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegradueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegradueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegradueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegradueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegradueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegradueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegradueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gradueer | gebiedende wijs |
| gradueerde | verleden tijd |
| graduere | aanvoegende wijs |
| graduerend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegradueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegradueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegradueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegradueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegradueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegradueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegradueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegradueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gradueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegradueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gradueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegradueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegradueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegradueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegradueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegradueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegradueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegradueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegradueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegradueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegradueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegradueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegradueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegradueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegradueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegradueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegradueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegradueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegradueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegradueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegradueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegradueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegradueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegradueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegradueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegradueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegradueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegradueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegradueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegradueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegradueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegradueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegradueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegradueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegradueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gradueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegradueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegradueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegradueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gradueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een graad verlenen’ voor het eerst aangetroffen in 1559
Woordfamilie van gradueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gradueer | gebiedende wijs | gradueren |
| gradueerde | verleden tijd | gradueren |
| gradueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gradueren |
| gradueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gradueren |
| graduere | aanvoegende wijs | gradueren |
| graduerend | onvoltooid deelwoord | gradueren |
| graduerende | woordvorm | gradueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gradueren zijn vastgelegd.