glosseren
werkwoordBetekenis
- van aantekeningen (glossen) voorzien
Vervoeging van glosseren
glosserenhele werkwoord — glosseerdeverleden tijd enkelvoud — glosseerdenverleden tijd meervoud — geglosseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | glosseer | glosseerde |
| jij | glosseert | glosseerde |
| hij, zij, het | glosseert | glosseerde |
| wij | glosseren | glosseerden |
| jullie | glosseren | glosseerden |
| zij | glosseren | glosseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geglosseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geglosseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geglosseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geglosseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geglosseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geglosseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geglosseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geglosseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geglosseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geglosseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geglosseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geglosseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglosseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglosseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglosseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geglosseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geglosseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geglosseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geglosseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| glosseer | gebiedende wijs |
| glosseerde | verleden tijd |
| glossere | aanvoegende wijs |
| glosserend | onvoltooid, deelwoord |
| had geglosseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geglosseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geglosseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geglosseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geglosseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geglosseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geglosseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglosseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te glosseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geglosseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen glosseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geglosseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geglosseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geglosseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geglosseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geglosseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geglosseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geglosseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geglosseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geglosseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglosseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geglosseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geglosseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglosseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geglosseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geglosseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglosseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglosseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglosseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglosseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglosseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geglosseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglosseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglosseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geglosseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglosseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglosseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geglosseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geglosseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geglosseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglosseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglosseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geglosseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglosseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglosseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen glosseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geglosseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geglosseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geglosseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult glosseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse gloser (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van glosseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geglosseerd | voltooid deelwoord | glosseren |
| geglosseerde | woordvorm | glosseren |
| glosseer | gebiedende wijs | glosseren |
| glosseerde | verleden tijd | glosseren |
| glosseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | glosseren |
| glosseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | glosseren |
| glossere | aanvoegende wijs | glosseren |
| glosserend | onvoltooid deelwoord | glosseren |
| glosserende | woordvorm | glosseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glosseren zijn vastgelegd.