glimlach
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɣlɪmlɑxBetekenis
- een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
Hoe spreek je glimlach uit?
/ˈxlɪmlɑx/
Glimlach bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| l | land |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| ɑ | bad |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| glimlachen | meervoud |
| glimlachje | verkleinwoord, enkelvoud |
| glimlachjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glimlachen
- gebiedende wijs van glimlachen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glimlachen
Vervoeging van glimlach
glimlachhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘onhoorbare lach’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1765
Woordfamilie van glimlach
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| glimlachje | verkleinwoord | glimlach |
| glimlachjes | verkleinwoord meervoud | glimlach |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glimlach zijn vastgelegd.