glazuur
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- glasachtige laag ter bedekking van aardewerk, dakpannen, bakstenen, plavuizen en tegels
- de buitenste laag van de tandkroon die rond de dentine gelegen is, tandglazuur
- mengsel van poedersuiker en water waarmee cake, taart enz. wordt afgewerkt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| glazuren | meervoud |
| glazuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| glazuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glazuren
- gebiedende wijs van glazuren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glazuren
Vervoeging van glazuur
glazuurhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘glasachtige laag’ voor het eerst aangetroffen in 1766
Woordfamilie van glazuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| glazuurtje | verkleinwoord | glazuur |
| glazuurtjes | verkleinwoord meervoud | glazuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glazuur zijn vastgelegd.