gladmaken
werkwoordBetekenis
- gelijk, effen maken
- glanzig, glimmend maken, polijsten
- vereffenen, aanzuiveren
Vervoeging van gladmaken
gladmakenhele werkwoord — maakte gladverleden tijd enkelvoud — maakten gladverleden tijd meervoud — gladgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak glad | maakte glad |
| jij | maakt glad | maakte glad |
| hij, zij, het | maakt glad | maakte glad |
| wij | maken glad | maakten glad |
| jullie | maken glad | maakten glad |
| zij | maken glad | maakten glad |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gladgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gladgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gladgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gladgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gladgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gladgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gladgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gladgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| glad te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| glad te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| glad zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| glad zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| glad zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| glad zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| glad zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| glad zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| glad zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| gladgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| gladgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gladgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gladgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gladgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gladgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gladgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gladgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gladgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gladgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gladgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gladmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gladmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gladmaakte | bijzin, verleden tijd |
| gladmaakten | bijzin, verleden tijd |
| gladmakend | onvoltooid, deelwoord |
| had gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gladgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak glad | gebiedende wijs |
| maakte glad | verleden tijd |
| te hebben gladgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gladmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gladgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gladgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gladgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gladgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gladgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gladgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gladgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gladmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gladgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gladgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gladgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gladgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gladgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gladgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gladgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gladmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gladmaken glad zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gladgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gladgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gladgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gladgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gladgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gladgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gladmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gladgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gladgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gladmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gladgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gladgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gladgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gladgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gladgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gladgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gladgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gladmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gladmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gladmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult gladgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van glad en maken
Woordfamilie van gladmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gladgemaakt | voltooid deelwoord | gladmaken |
| gladgemaakte | woordvorm | gladmaken |
| gladmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gladmaken |
| gladmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gladmaken |
| gladmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | gladmaken |
| gladmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | gladmaken |
| gladmake | with-subordinate-clause | gladmaken |
| gladmakend | onvoltooid deelwoord | gladmaken |
| gladmakende | woordvorm | gladmaken |
| maak glad | gebiedende wijs | gladmaken |
| maakt glad | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gladmaken |
| maakte glad | verleden tijd | gladmaken |
| maakten glad | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gladmaken |
| make glad | woordvorm | gladmaken |
| maken glad | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gladmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gladmaken zijn vastgelegd.