Naar de inhoud

gewennen

gewoon worden, vertrouwd raken, zich thuis gaan voelen

gewennen

werkwoord

Betekenis

  1. gewoon worden, vertrouwd raken, zich thuis gaan voelen

Vervoeging van gewennen

gewennenhele werkwoord — gewendeverleden tijd enkelvoud — gewendenverleden tijd meervoud — gewendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik gewen gewende
jij gewent gewende
hij, zij, het gewent gewende
wij gewennen gewenden
jullie gewennen gewenden
zij gewennen gewenden
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
gewen gebiedende wijs
gewend verleden tijd, deelwoord
gewend te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewend zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewende verleden tijd
gewenne aanvoegende wijs
gewennend onvoltooid, deelwoord
is gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te gewennen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gewennen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal gewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gewennen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gewennen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gewennen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gewennen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gewennen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gewennen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewennen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gewennen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gewennen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewennen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gewennen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gewennen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gewennen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gewennen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gewend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gewennen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van wennen met het voorvoegsel ge-

Woordfamilie van gewennen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gewen gebiedende wijs gewennen
gewenne aanvoegende wijs gewennen
gewennend onvoltooid deelwoord gewennen
gewennende woordvorm gewennen
gewent aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon gewennen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gewennen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over gewennen

Wat is de betekenis van gewennen?
Gewennen is een werkwoord. De betekenis is: gewoon worden, vertrouwd raken, zich thuis gaan voelen.
Hoe vervoeg ik gewennen?
Zo vervoeg je gewennen zo: de tegenwoordige tijd is gewen, de verleden tijd is gewende en het voltooid deelwoord is gewend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gewennen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. W 5
  4. E 1
  5. N 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gewennen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. W 5
  4. E 1
  5. N 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gewennen in het kort

gewennen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van gewennen staan er 33 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort gewennen bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

gewennen: gewoon worden, vertrouwd raken, zich thuis gaan voelen
Deel gewennen — standaardnederlands.nl