gewennen
werkwoordBetekenis
- gewoon worden, vertrouwd raken, zich thuis gaan voelen
Vervoeging van gewennen
gewennenhele werkwoord — gewendeverleden tijd enkelvoud — gewendenverleden tijd meervoud — gewendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gewen | gewende |
| jij | gewent | gewende |
| hij, zij, het | gewent | gewende |
| wij | gewennen | gewenden |
| jullie | gewennen | gewenden |
| zij | gewennen | gewenden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewen | gebiedende wijs |
| gewend | verleden tijd, deelwoord |
| gewend te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewend zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewende | verleden tijd |
| gewenne | aanvoegende wijs |
| gewennend | onvoltooid, deelwoord |
| is gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gewennen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gewennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gewennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van wennen met het voorvoegsel ge-
Woordfamilie van gewennen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewen | gebiedende wijs | gewennen |
| gewenne | aanvoegende wijs | gewennen |
| gewennend | onvoltooid deelwoord | gewennen |
| gewennende | woordvorm | gewennen |
| gewent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gewennen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gewennen zijn vastgelegd.