gesel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɣesəlBetekenis
- een werktuig waarmee men ter bestraffing op de rug van iemand slaat
Hoe spreek je gesel uit?
/ˈxesəl/
Gesel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| e | veel |
| s | sok |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
- oorzaak van toegebracht leed figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geselen | meervoud |
| gesels | meervoud |
| geseltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geseltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geselen
- gebiedende wijs van geselen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geselen
Vervoeging van gesel
geselhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands gesele / ghesele, in de betekenis van ‘strafwerktuig’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van gesel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesels | meervoud | gesel |
| geseltje | verkleinwoord | gesel |
| geseltjes | verkleinwoord meervoud | gesel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gesel zijn vastgelegd.