generaliseren
werkwoordBetekenis
- de geldigheid van een conclusie uitbreiden van specifiek naar algemeen
- over één kam scheren, geen onderscheid maken
Vervoeging van generaliseren
generaliserenhele werkwoord — generaliseerdeverleden tijd enkelvoud — generaliseerdenverleden tijd meervoud — gegeneraliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | generaliseer | generaliseerde |
| jij | generaliseert | generaliseerde |
| hij, zij, het | generaliseert | generaliseerde |
| wij | generaliseren | generaliseerden |
| jullie | generaliseren | generaliseerden |
| zij | generaliseren | generaliseerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegeneraliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegeneraliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegeneraliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegeneraliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegeneraliseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegeneraliseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegeneraliseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegeneraliseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegeneraliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gegeneraliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegeneraliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| generaliseer | gebiedende wijs |
| generaliseerde | verleden tijd |
| generalisere | aanvoegende wijs |
| generaliserend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegeneraliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegeneraliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegeneraliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegeneraliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegeneraliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegeneraliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegeneraliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegeneraliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegeneraliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegeneraliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegeneraliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegeneraliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegeneraliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegeneraliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegeneraliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te generaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegeneraliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen generaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegeneraliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegeneraliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegeneraliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegeneraliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegeneraliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegeneraliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegeneraliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegeneraliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegeneraliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegeneraliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegeneraliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegeneraliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegeneraliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen generaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegeneraliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult generaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘veralgemenen’ voor het eerst aangetroffen in 1803
Woordfamilie van generaliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegeneraliseerd | voltooid deelwoord | generaliseren |
| gegeneraliseerde | woordvorm | generaliseren |
| generaliseer | gebiedende wijs | generaliseren |
| generaliseerde | verleden tijd | generaliseren |
| generaliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | generaliseren |
| generaliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | generaliseren |
| generalisere | aanvoegende wijs | generaliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van generaliseren zijn vastgelegd.