Naar de inhoud

gelijkzetten

op de juiste stand (tijd) zetten, synchroniseren

gelijkzetten

werkwoord

Betekenis

  1. op de juiste stand (tijd) zetten, synchroniseren

Vervoeging van gelijkzetten

gelijkzettenhele werkwoord — zette gelijkverleden tijd enkelvoud — zetten gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet gelijk zette gelijk
jij zet gelijk zette gelijk
hij, zij, het zet gelijk zette gelijk
wij zetten gelijk zetten gelijk
jullie zetten gelijk zetten gelijk
zij zetten gelijk zetten gelijk
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gelijkgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gelijkgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gelijkgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gelijkgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gelijkgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gelijkgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gelijkgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gelijkgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gelijk te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijk te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijk zal zetten bijzin, toekomende tijd
gelijk zou zetten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijk zullen zetten bijzin, toekomende tijd
gelijk zult zetten bijzin, toekomende tijd
gelijkgezet verleden tijd, deelwoord
gelijkgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijkgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijkgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelijkgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelijkgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkzet bijzin, tegenwoordige tijd
gelijkzette bijzin, verleden tijd
gelijkzettend onvoltooid, deelwoord
had gelijkgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelijkgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelijkgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelijkgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gelijkgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gelijkzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelijkgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelijkgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gelijkgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gelijkgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gelijkzetten bijzin, toekomende tijd
zet gelijk gebiedende wijs
zette gelijk verleden tijd
zijn gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gelijkzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gelijkzetten gelijk zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gelijkzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gelijkzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gelijkzetten bijzin, toekomende tijd
zult gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van gelijkzetten

Vervoeging van gelijkzetten

gelijkzettenhele werkwoord — zette gelijkverleden tijd enkelvoud — zetten gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet gelijk zette gelijk
jij zet gelijk zette gelijk
hij, zij, het zet gelijk zette gelijk
wij zetten gelijk zetten gelijk
jullie zetten gelijk zetten gelijk
zij zetten gelijk zetten gelijk
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gelijkgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gelijkgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gelijkgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gelijkgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gelijkgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gelijkgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gelijkgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gelijkgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gelijk te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijk te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijk zal zetten bijzin, toekomende tijd
gelijk zou zetten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijk zullen zetten bijzin, toekomende tijd
gelijk zult zetten bijzin, toekomende tijd
gelijkgezet verleden tijd, deelwoord
gelijkgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijkgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijkgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelijkgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelijkgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkzet bijzin, tegenwoordige tijd
gelijkzette bijzin, verleden tijd
gelijkzettend onvoltooid, deelwoord
had gelijkgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelijkgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelijkgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelijkgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gelijkgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gelijkzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelijkgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelijkgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gelijkgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gelijkgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gelijkgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gelijkgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gelijkzetten bijzin, toekomende tijd
zet gelijk gebiedende wijs
zette gelijk verleden tijd
zijn gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gelijkgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gelijkzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gelijkzetten gelijk zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gelijkzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt gelijkgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gelijkzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gelijkzetten bijzin, toekomende tijd
zult gelijkgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelijkgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelijkgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van gelijk en zetten

Woordfamilie van gelijkzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gelijkgezet voltooid deelwoord gelijkzetten
gelijkgezette woordvorm gelijkzetten
gelijkzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd gelijkzetten
gelijkzette subordinate-clause, verleden tijd gelijkzetten
gelijkzettend onvoltooid deelwoord gelijkzetten
gelijkzettende woordvorm gelijkzetten
zet gelijk gebiedende wijs gelijkzetten
zette gelijk verleden tijd gelijkzetten
zetten gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gelijkzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijkzetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over gelijkzetten

Wat betekent gelijkzetten?
Gelijkzetten is een werkwoord. Het woord betekent: op de juiste stand (tijd) zetten, synchroniseren.
Hoe vervoeg je gelijkzetten?
Je vervoegt gelijkzetten als volgt: het voltooid deelwoord is gelijkgezet. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gelijkzetten is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. Z 4
  8. E 1
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gelijkzetten levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. Z 5
  8. E 1
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 28 zonder bonus
  14. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gelijkzetten in het kort

gelijkzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van gelijkzetten zijn 84 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort gelijkzetten bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

gelijkzetten: op de juiste stand (tijd) zetten, synchroniseren
Deel gelijkzetten — standaardnederlands.nl