gelijkzetten
werkwoordBetekenis
- op de juiste stand (tijd) zetten, synchroniseren
Vervoeging van gelijkzetten
gelijkzettenhele werkwoord — zette gelijkverleden tijd enkelvoud — zetten gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet gelijk | zette gelijk |
| jij | zet gelijk | zette gelijk |
| hij, zij, het | zet gelijk | zette gelijk |
| wij | zetten gelijk | zetten gelijk |
| jullie | zetten gelijk | zetten gelijk |
| zij | zetten gelijk | zetten gelijk |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gelijkgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelijkgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelijkgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelijkgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelijkgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelijkgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelijkgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelijkgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelijk te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijk te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijk zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gelijk zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijk zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gelijk zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gelijkgezet | verleden tijd, deelwoord |
| gelijkgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijkgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijkgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gelijkgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gelijkgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gelijkzette | bijzin, verleden tijd |
| gelijkzettend | onvoltooid, deelwoord |
| had gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijkgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gelijkgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gelijkzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gelijkzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet gelijk | gebiedende wijs |
| zette gelijk | verleden tijd |
| zijn gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelijkzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gelijkzetten gelijk zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gelijkzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gelijkzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gelijkzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van gelijkzetten
Vervoeging van gelijkzetten
gelijkzettenhele werkwoord — zette gelijkverleden tijd enkelvoud — zetten gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet gelijk | zette gelijk |
| jij | zet gelijk | zette gelijk |
| hij, zij, het | zet gelijk | zette gelijk |
| wij | zetten gelijk | zetten gelijk |
| jullie | zetten gelijk | zetten gelijk |
| zij | zetten gelijk | zetten gelijk |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gelijkgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelijkgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelijkgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelijkgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelijkgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelijkgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelijkgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelijkgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelijk te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijk te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijk zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gelijk zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijk zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gelijk zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| gelijkgezet | verleden tijd, deelwoord |
| gelijkgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijkgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijkgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gelijkgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gelijkgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gelijkzette | bijzin, verleden tijd |
| gelijkzettend | onvoltooid, deelwoord |
| had gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijkgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gelijkgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gelijkzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gelijkgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gelijkgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gelijkzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet gelijk | gebiedende wijs |
| zette gelijk | verleden tijd |
| zijn gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gelijkgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelijkzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gelijkzetten gelijk zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gelijkzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gelijkgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gelijkzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelijkzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gelijkzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult gelijkgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gelijkgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gelijkgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van gelijk en zetten
Woordfamilie van gelijkzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelijkgezet | voltooid deelwoord | gelijkzetten |
| gelijkgezette | woordvorm | gelijkzetten |
| gelijkzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gelijkzetten |
| gelijkzette | subordinate-clause, verleden tijd | gelijkzetten |
| gelijkzettend | onvoltooid deelwoord | gelijkzetten |
| gelijkzettende | woordvorm | gelijkzetten |
| zet gelijk | gebiedende wijs | gelijkzetten |
| zette gelijk | verleden tijd | gelijkzetten |
| zetten gelijk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gelijkzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijkzetten zijn vastgelegd.