geeuwen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ɣɪːwə(n)/Betekenis
- onwillekeurig den mond opsperren en tevens diep inademen en weer uitademen
Hoe spreek je geeuwen uit?
/xɪwən/
Geeuwen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɪ | pit |
| w | quiz |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van geeuwen
geeuwenhele werkwoord — geeuwdeverleden tijd enkelvoud — geeuwdenverleden tijd meervoud — gegeeuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geeuw | geeuwde |
| jij | geeuwt | geeuwde |
| hij, zij, het | geeuwt | geeuwde |
| wij | geeuwen | geeuwden |
| jullie | geeuwen | geeuwden |
| zij | geeuwen | geeuwden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geeuw | gebiedende wijs |
| geeuwde | verleden tijd |
| geeuwe | aanvoegende wijs |
| geeuwend | onvoltooid, deelwoord |
| gegeeuwd | verleden tijd, deelwoord |
| gegeeuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegeeuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gegeeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegeeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegeeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegeeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegeeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegeeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegeeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegeeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegeeuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegeeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegeeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegeeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegeeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegeeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegeeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te geeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegeeuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen geeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gegeeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegeeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegeeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegeeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegeeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegeeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gegeeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegeeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegeeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gegeeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen geeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gegeeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegeeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegeeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult geeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gegeeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord geeuw
Herkomst
In de betekenis van ‘gapen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van geeuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geeuwde | verleden tijd | geeuwen |
| geeuwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | geeuwen |
| geeuwe | aanvoegende wijs | geeuwen |
| geeuwend | onvoltooid deelwoord | geeuwen |
| geeuwende | woordvorm | geeuwen |
| geeuwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | geeuwen |
| gegeeuwd | voltooid deelwoord | geeuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geeuwen zijn vastgelegd.