garve
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een bos samengebonden graanhalmen, 6-8 garven vormen 1 schoof
- pacht die men betaalt in de vorm van een hoeveelheid garven (met name in de Achterhoek)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- aanvoegende wijs van garven
Vervoeging van garve
garvehele werkwoord
Herkomst
zn: In de betekenis van ‘schoof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1170