garf
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
- (bij uitbreiding) pachtgeld
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- pachtgeld
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| garfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| garfjes | verkleinwoord, meervoud |
| garven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garven
- gebiedende wijs van garven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garven
Vervoeging van garf
garfhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schoof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1170
Woordfamilie van garf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| garfje | verkleinwoord | garf |
| garfjes | verkleinwoord meervoud | garf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van garf zijn vastgelegd.