garneren
werkwoordBetekenis
- versieren van voeding
Vervoeging van garneren
garnerenhele werkwoord — garneerdeverleden tijd enkelvoud — garneerdenverleden tijd meervoud — gegarneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | garneer | garneerde |
| jij | garneert | garneerde |
| hij, zij, het | garneert | garneerde |
| wij | garneren | garneerden |
| jullie | garneren | garneerden |
| zij | garneren | garneerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegarneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegarneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegarneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegarneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegarneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegarneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegarneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegarneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| garneer | gebiedende wijs |
| garneerde | verleden tijd |
| garnere | aanvoegende wijs |
| garnerend | onvoltooid, deelwoord |
| gegarneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gegarneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegarneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gegarneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegarneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegarneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegarneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegarneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegarneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegarneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegarneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegarneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegarneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegarneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegarneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegarneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegarneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegarneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te garneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegarneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen garneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal garneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal garneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal garneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gegarneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegarneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegarneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou garneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou garneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou garneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegarneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegarneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegarneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden garneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden garneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden garneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gegarneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegarneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegarneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt garneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gegarneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen garneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen garneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen garneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen garneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gegarneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegarneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegarneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult garneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gegarneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘versieren’ voor het eerst aangetroffen in 1773
Woordfamilie van garneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| garneer | gebiedende wijs | garneren |
| garneerde | verleden tijd | garneren |
| garneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | garneren |
| garneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | garneren |
| garnere | aanvoegende wijs | garneren |
| garnerend | onvoltooid deelwoord | garneren |
| garnerende | woordvorm | garneren |
| gegarneerd | voltooid deelwoord | garneren |
| gegarneerde | woordvorm | garneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van garneren zijn vastgelegd.