mansarde
zelfstandig naamwoord mɑnˈsɑrdəBetekenis
- zolderkamertje
Hoe spreek je mansarde uit?
/mɑnˈsɑrdə/
Mansarde bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| s | sok |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- verblijfsruimte direct onder een schuin dak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mansarden | meervoud |
| mansardes | meervoud |
Herkomst
eponiem van Frans mansarde, afgeleid van de familienaam van de 17e-eeuwse Franse architect F. Mansart , die vaak schuine daken met een knik gebruikte om de zolderverdieping meer nuttige ruimte te geven; in de betekenis van 'zolderkamertje' voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Woordfamilie van mansarde
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mansarden | meervoud | mansarde |
| mansardes | meervoud | mansarde |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mansarde zijn vastgelegd.