garage
zelfstandig naamwoord /ɣa.ˈra.zʲǝ/Betekenis
- een overdekte ruimte waarin men auto's zou kunnen stallen
- een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
Hoe spreek je garage uit?
/xaˈrazǝ/
Garage bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| a | maan |
| r | rood |
| z | zon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| garages | meervoud |
| garagetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| garagetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘autostalling’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van garage
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| garages | meervoud | garage |
| garagetje | verkleinwoord | garage |
| garagetjes | verkleinwoord meervoud | garage |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van garage zijn vastgelegd.