fusilleren
werkwoordBetekenis
- executeren voor een vuurpeloton
Vervoeging van fusilleren
fusillerenhele werkwoord — fusilleerdeverleden tijd enkelvoud — fusilleerdenverleden tijd meervoud — gefusilleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fusilleer | fusilleerde |
| jij | fusilleert | fusilleerde |
| hij, zij, het | fusilleert | fusilleerde |
| wij | fusilleren | fusilleerden |
| jullie | fusilleren | fusilleerden |
| zij | fusilleren | fusilleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gefusilleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefusilleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefusilleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefusilleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefusilleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefusilleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefusilleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefusilleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fusilleer | gebiedende wijs |
| fusilleerde | verleden tijd |
| fusillere | aanvoegende wijs |
| fusillerend | onvoltooid, deelwoord |
| gefusilleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefusilleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefusilleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefusilleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefusilleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefusilleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefusilleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefusilleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefusilleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefusilleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefusilleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefusilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fusilleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefusilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fusilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefusilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gefusilleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefusilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefusilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefusilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefusilleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefusilleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefusilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefusilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefusilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefusilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefusilleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefusilleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefusilleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefusilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefusilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefusilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefusilleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefusilleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefusilleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefusilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefusilleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fusilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefusilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefusilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefusilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefusilleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefusilleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefusilleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fusilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefusilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefusilleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefusilleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘neerschieten (als straf)’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van fusilleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fusilleer | gebiedende wijs | fusilleren |
| fusilleerde | verleden tijd | fusilleren |
| fusilleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fusilleren |
| fusilleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fusilleren |
| fusillere | aanvoegende wijs | fusilleren |
| fusillerend | onvoltooid deelwoord | fusilleren |
| fusillerende | woordvorm | fusilleren |
| gefusilleerd | voltooid deelwoord | fusilleren |
| gefusilleerde | woordvorm | fusilleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fusilleren zijn vastgelegd.