fuseren
werkwoordBetekenis
- het samengaan, eenwoorden van instellingen of bedrijven
Vervoeging van fuseren
fuserenhele werkwoord — fuseerdeverleden tijd enkelvoud — fuseerdenverleden tijd meervoud — gefuseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fuseer | fuseerde |
| jij | fuseert | fuseerde |
| hij, zij, het | fuseert | fuseerde |
| wij | fuseren | fuseerden |
| jullie | fuseren | fuseerden |
| zij | fuseren | fuseerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gefuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| fuseer | gebiedende wijs |
| fuseerde | verleden tijd |
| fusere | aanvoegende wijs |
| fuserend | onvoltooid, deelwoord |
| gefuseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefuseerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefuseerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gefuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fuseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gefuseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fuseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefuseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefuseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefuseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefuseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefuseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gefuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fuseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘samensmelten’ voor het eerst aangetroffen in 1963
Woordfamilie van fuseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fuseer | gebiedende wijs | fuseren |
| fuseerde | verleden tijd | fuseren |
| fuseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fuseren |
| fuseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fuseren |
| fusere | aanvoegende wijs | fuseren |
| fuserend | onvoltooid deelwoord | fuseren |
| fuserende | woordvorm | fuseren |
| gefuseerd | voltooid deelwoord | fuseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fuseren zijn vastgelegd.