fruiten
werkwoordBetekenis
- lichtbruin bakken van met name ui of groente
Vervoeging van fruiten
fruitenhele werkwoord — fruitteverleden tijd enkelvoud — fruittenverleden tijd meervoud — gefruitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fruit | fruitte |
| jij | fruit | fruitte |
| hij, zij, het | fruit | fruitte |
| wij | fruiten | fruitten |
| jullie | fruiten | fruitten |
| zij | fruiten | fruitten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gefruit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefruit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefruit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefruit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefruit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefruit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefruit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefruit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fruit | gebiedende wijs |
| fruite | aanvoegende wijs |
| fruitend | onvoltooid, deelwoord |
| fruitte | verleden tijd |
| gefruit | verleden tijd, deelwoord |
| gefruit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefruit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefruit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefruit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefruit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefruit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefruit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefruit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefruit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefruit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefruit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefruit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefruit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefruit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefruit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefruit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefruit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefruit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fruiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefruit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fruiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefruit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefruit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefruit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefruit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefruit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefruit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefruit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefruit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gefruit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gefruit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gefruit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gefruit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gefruit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gefruit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gefruit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gefruit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gefruit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gefruit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefruit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gefruit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefruit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefruit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefruit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefruit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefruit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefruit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefruit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefruit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefruit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefruit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefruit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefruit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefruit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefruit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefruit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefruit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefruit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefruit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefruit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefruit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fruiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefruit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefruit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefruit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefruit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefruit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefruit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fruiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefruit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefruit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefruit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bruin braden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van fruiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fruite | aanvoegende wijs | fruiten |
| fruitend | onvoltooid deelwoord | fruiten |
| fruitende | woordvorm | fruiten |
| fruitte | verleden tijd | fruiten |
| fruitten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fruiten |
| gefruit | voltooid deelwoord | fruiten |
| gefruite | woordvorm | fruiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fruiten zijn vastgelegd.