frituur
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een zaak waar men gefrituurde zaken verkoopt
- hete olie waarin men iets onderdompelt en bakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| frituren | meervoud |
| frituurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| frituurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van frituren
- gebiedende wijs van frituren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van frituren
Vervoeging van frituur
frituurhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in kokend vet gebakken spijs’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van frituur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| frituurtje | verkleinwoord | frituur |
| frituurtjes | verkleinwoord meervoud | frituur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van frituur zijn vastgelegd.