friemelen
werkwoordBetekenis
- onrustig en zonder doel met vingers en handen bewegen
Vervoeging van friemelen
friemelenhele werkwoord — friemeldeverleden tijd enkelvoud — friemeldenverleden tijd meervoud — gefriemeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | friemel | friemelde |
| jij | friemelt | friemelde |
| hij, zij, het | friemelt | friemelde |
| wij | friemelen | friemelden |
| jullie | friemelen | friemelden |
| zij | friemelen | friemelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gefriemeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefriemeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefriemeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefriemeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefriemeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefriemeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefriemeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefriemeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| friemel | gebiedende wijs |
| friemelde | verleden tijd |
| friemele | aanvoegende wijs |
| friemelend | onvoltooid, deelwoord |
| gefriemeld | verleden tijd, deelwoord |
| gefriemeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefriemeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefriemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefriemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefriemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefriemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefriemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefriemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefriemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefriemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefriemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefriemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefriemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefriemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefriemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefriemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefriemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te friemelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefriemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen friemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefriemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefriemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefriemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefriemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefriemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefriemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefriemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefriemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefriemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefriemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen friemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefriemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefriemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefriemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult friemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefriemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘peuteren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1889
Woordfamilie van friemelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| friemel | gebiedende wijs | friemelen |
| friemelde | verleden tijd | friemelen |
| friemelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | friemelen |
| friemele | aanvoegende wijs | friemelen |
| friemelend | onvoltooid deelwoord | friemelen |
| friemelende | woordvorm | friemelen |
| friemelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | friemelen |
| gefriemeld | voltooid deelwoord | friemelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van friemelen zijn vastgelegd.