frequenteren
werkwoordBetekenis
- vaak bezoeken
Vervoeging van frequenteren
frequenterenhele werkwoord — frequenteerdeverleden tijd enkelvoud — frequenteerdenverleden tijd meervoud — gefrequenteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | frequenteer | frequenteerde |
| jij | frequenteert | frequenteerde |
| hij, zij, het | frequenteert | frequenteerde |
| wij | frequenteren | frequenteerden |
| jullie | frequenteren | frequenteerden |
| zij | frequenteren | frequenteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gefrequenteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefrequenteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefrequenteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefrequenteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefrequenteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefrequenteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefrequenteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefrequenteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| frequenteer | gebiedende wijs |
| frequenteerde | verleden tijd |
| frequentere | aanvoegende wijs |
| frequenterend | onvoltooid, deelwoord |
| gefrequenteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefrequenteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefrequenteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefrequenteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrequenteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrequenteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrequenteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefrequenteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefrequenteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefrequenteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefrequenteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefrequenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te frequenteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefrequenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen frequenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefrequenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gefrequenteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefrequenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrequenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefrequenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefrequenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrequenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefrequenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefrequenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrequenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrequenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrequenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrequenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrequenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefrequenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefrequenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefrequenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefrequenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefrequenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefrequenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefrequenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefrequenteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen frequenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefrequenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefrequenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefrequenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefrequenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefrequenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefrequenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult frequenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefrequenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefrequenteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefrequenteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse fréquenter met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van frequenteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| frequenteer | gebiedende wijs | frequenteren |
| frequenteerde | verleden tijd | frequenteren |
| frequenteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | frequenteren |
| frequenteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | frequenteren |
| frequenterend | onvoltooid deelwoord | frequenteren |
| frequenterende | woordvorm | frequenteren |
| gefrequenteerd | voltooid deelwoord | frequenteren |
| gefrequenteerde | woordvorm | frequenteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van frequenteren zijn vastgelegd.