frees
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- machine die door frezen (met een ronddraaiende beitel) materiaal verwijdert
- deel van die machine die de eigenlijk bewerking uitvoert (de beitel)
- machine die grond door elkaar roert, maar zonder kerende bewerking
- geplooide kraag, fraas
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| freesje | verkleinwoord, enkelvoud |
| freesjes | verkleinwoord, meervoud |
| frezen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van frezen
- gebiedende wijs van frezen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van frezen
Vervoeging van frees
freeshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geplooide halskraag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van frees
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| freesje | verkleinwoord | frees |
| freesjes | verkleinwoord meervoud | frees |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van frees zijn vastgelegd.